Föhn (wind)

De föhn is een warme droge wind die vaak aan de Noordzijde van de Alpen waait, maar ook in andere delen van de wereld voorkomt. Ook in het Limburgse heuvelland komt soms een zwak föhneffect voor, wat daar plaatselijk aanleiding kan geven tot zonnig weer en een opmerkelijke temperatuurstijging. In Noorwegen komt het ook vaak voor.

De benaming is afgeleid uit het Latijnse favonius (warme wind) en het gotische fôhn (vuur).  In andere landen wordt de föhn vaak anders genoemd. De Amerikanen noemen ze “hot winds”en in Californië staat de wind bekend als Santa Anna, een wind die bosbranden doet oplaaien. In Argentinië spreekt men van Zonda, op Sumatra van de Bohorok.

Het principe is overal hetzelfde: de stijgende lucht verliest aan de zuidkant van de berg, als er veel regen valt, daardoor veel vocht en wordt dus droger. In de droge lucht is de opwarming aan de noordelijke helling groter dan de afkoeling van de vochtige lucht aan de zuidelijke helling. Daar is het dus veel warmer en schijnt de zon. De windsnelheden kunnen flink oplopen tot meer dan 100 km per uur, een zware storm. In sneeuwrijke gebieden vergroot de föhn het lawine gevaar. Veel mensen krijgen bij föhnweer last van verhoogde bloeddruk, hoofdpijn, spierpijn en slapeloze nachten.