Luchtsoorten

Als een enorme hoeveelheid lucht kans ziet om lange tijd op dezelfde plaats te blijven en over een gebied met een omvang van minstens honderden kilometers over dezelfde eigenschappen heeft, met name vocht en temperatuur, dan ontstaat er een luchtsoort of luchtmassa.

Veranderingen van eigenschappen van luchtmassa’s treden op door verplaatsing boven land, zee, een warm of koud oppervlak. Meteorologen en onderzoekers kunnen met behulp van een trajectoriënmodel berekenen waar de lucht vandaan komt en hoe die gaandeweg verandert. Met behulp van computers wordt nauwkeurig uitgerekend welke weg de bewegende lucht door de atmosfeer heeft afgelegd.

Een luchtsoort ontstaat wanneer lucht langere tijd boven een bepaalde plek blijft hangen, het brongebied.
Onderscheid in luchtsoorten wordt gemaakt naar de plek van oorsprong, het brongebied.

De belangrijkste luchtsoorten zijn:

Arctische lucht (AL) is afkomstig uit de poolstreken, het gebied van Noordelijke IJszee, Groenland en het noorden van Scandinavië. In de vaak met sneeuw en ijs bedekte gebieden in het noorden is het koud. Als de wind uit die richting waait levert dat natuurlijk koud weer op, al is de lucht onderweg wel minder koud geworden.

Zeker wanneer de route over het zeegebied tussen IJsland en Scandinavië loopt en een lange weg over zee aflegt warmt de lucht onderweg op en wordt vocht opgenomen. Weerkundigen noemen dat maritiem Arctische lucht, op de weerkaart afgekort als mAL. Lucht die grotendeels over land wordt aangevoerd wordt contintaal Arctisch (cAL) genoemd.  Bij deze aanvoer kan het erg koud worden, maar is de kans op buien klein en is het vaak schraal, droog en helder weer. Zowel in Arctische lucht als in continentaal polaire lucht komen tijdens de winter zware sneeuwstormen voor, in Noord-Amerika blizzard genoemd, In deze luchtsoort kan wel parelmoerwolken worden waargenomen.

Polaire lucht (PL) vindt zijn oorsprong in de gematigde breedten, ongeveer tussen de 40e breedtegraad en de poolcirkel op ongeveer 60 graden noorder- en zuiderbreedte en niet in het centrum van de poolstreken zoals de naam doet vermoeden

Er wordt onderscheid gemaakt tussen maritiem polaire lucht (mPL), die over de Atlantische Oceaan wordt aangevoerd en daardoor vochtig is. De kans op buien nemen hiermee toe, terwijl meegevoerde lagedrukgebieden voor sterke wisselingen van windrichting- en kracht kunnen zorgen. Wordt de lucht met westelijke winden uit een gebied  zuidelijke op de Atlantische Oceaan aangevoerd, zoals de Azoren dan is het tamelijk zacht of zwoel. Het weer is in deze luchtsoort nogal wisselvallig. Maritieme polaire lucht komt in ons land het vaakst voor, gedurende ongeveer 60% van de tijd.

De  continentale polaire lucht (cPL)  uit het continentale Rusland en Siberië is droog. In de winter is het daardoor koud, terwijl het in de zomer warm is. Met de lage vochtigheidsgraad is er weinig bewolking, maar in de winters kan wel langdurige lage bewolking ontstaan. Ook in de continentale polaire lucht komen in de winter in Noord-Amerika sneeuwstormen (blizzards) voor.

Tropische lucht (TL) is een luchtsoort waarvan het brongebied in de subtropen ligt. De benaming zou daarom beter subtropische lucht zijn, maar de huidige naam is dusdanig bekend dat wijziging niet realistisch is. Maritieme tropische lucht (mTL) is heel vochtig en heeft een hoge temperatuur. Continentale tropische lucht (cTL) is heel droog en warm.

Belangrijke brongebieden van continentaal tropische lucht zijn het Afrikaans-Arabische woestijngebied met Iran en Pakistan en het woestijngebied van Australië. De bekendste continentaal tropische wind is de Sirocco, een zuidelijke wind, die hete en droge lucht uit de Sahara naar het noorden voert.

De bekendste maritieme tropische lucht is de Portugese Noord. De wolkenmuur van vochtige tropisch lucht is een belangrijk onderdeel van een tropische cycloon.

Equatoriale lucht (EL)ontstaat in de equatoriale lagedrukzone, is warm en vochtig, maar bereikt Nederland vrijwel nooit.

                          De herkomst van de belangrijkste luchtsoorten. De maritieme varianten 
                                   voeren hun luchtmassa’s aan over zee terwijl bij een continentale aanvoer
                                   de lucht over land wordt aangevoerd.