Ruimende wind

Ruimen betekent een draaiing van de wind in dezelfde richting als de wijzers van de klok. Als de wind draait in de tegengestelde richting wordt dat krimpen genoemd. Een ruimende wind hangt meestal samen met een stijging van de luchtdruk en een naderend hogedrukgebied. Het weer wordt er dan vaak beter op. De benamingen komen volgens het Instituut van Nederlandse Lexicologie in Leiden uit de zeilwereld. Een Frans woordenboek uit 1702 beschrijft wind die is geruimd als wind die blaast uit de richting waarnaar men het liefst zou willen varen. Het woordenboek der Nederlandse taal verklaart ruimen als “uit een voordeeliger hoek beginnen te waaien”. Het oud-Nederlandse voordeeliger betekent gunstiger.
Krimpen en ruimen staat dus oorspronkelijk voor ‘ongunstig’ of ‘gunstig’. Woordenboeken aan het eind van de 19e eeuw komen met een nieuwe betekenis. Zo schrijft Van Dale in 1898 over “het door het noorden naar het westen gaan: de wind was oost, maar hij is gekrompen”.
In de uitgave van 1914 is het begrip ruimen toegevoegd: “het lopen door het westen naar het noorden, de wind gaat ruimen, we krijgen beter weer”.

Mogelijk zijn de termen krimpen en ruimen afkomstig uit de tijd van de grote zeilschepen die op het kompas voeren. De windroos kent een verdeling in 360 graden, waarbij 90 graden staat voor oostenwind, 180 graden voor zuidenwind, 270 graden voor westenwind en 380 graden voor noordenwind. Bij een krimpende wind ( tegen de wijzers van de klok) neemt het aantal graden af. Een wind die krimpt van zuid naar oost draait van 180 graden naar 90 graden. Het aantal graden krimpt dus, terwijl dat bij ruimende wind (met de wijzers van de klok) juist toeneemt.